Epigrammata

 

Epigram 3.53

Et voltu poteram tuo carere
et collo manibusque cruribusque
et mammis natibusque clunibusque,
et, ne singula persequi laborem,
tota te poteram, Chloe, carere.

En ik kon jouw gelaat missen

en je nek en armen en benen

en je borsten en je achterste en je billen

en, opdat ik niet zwoeg de dingen stuk voor stuk gedetailleerd

op te sommen, kon ik jou helemaal, Chloe, missen.

Epigram 12.46

Difficilis facilis, iucundus acerbus es idem:
nec tecum possum vivere nec sine te.

Moeilijk makkelijk, aangenaam onvriendelijk ben jij tegelijk:
Noch met jou kan leven, noch zonder jou.

Epigram 11.97

Una nocte quater possum : sed quattuor annis
si possem, peream, te, Telesilla, semel.

Ik kan het vier keer in één nacht (met jou): maar moge ik ten gronde gaan als ik het in vier jaren eenmaal zou kunnen (met jou).

Epigram 2.25

Das numquam, semper promittis, Galla, roganti.
            Si semper fallis, iam rogo, Galla, nega.

Jij geeft nooit, jij belooft altijd, Galla, aan de vragende mij.
Als jij (me) altijd bedriegt, vraag ik nu, Galla, weiger.

Epigram 6.40

Femina praeferri potuit tibi nulla, Lycori:
            praeferri Glycerae femina nulla potest.
Haec erit hoc quod tu : tu non potes esse quod haec est.
            Tempora quid faciunt ! Hanc volo, te volui.

Geen enkele vrouw heeft verkozen kunnen worden boven jou, Lycoris :
Geen enkele vrouw kan verkozen worden boven Glycera :
Zij zal (dat) zijn, wat jij was : jij kan niet zijn wat zij is.
Wat doen tijden! Ik wil haar, ik heb jou gewild

Epigram 6.60

Laudat, amat, cantat nostros mea Roma libellos,
meque sinus omnes, me manus omnis habet.
Ecce rubet quidam, pallet, stupet, oscitat, odit.
            Hoc volo : nunc nobis carmina nostra placent.

Mijn Rome prijst, bemint, bezingt onze/mijn geschriften,
En alle plooien hebben mij, elke hand heeft mij.
Kijk, een zeker iemand wordt rood, wordt bleek, staat stomverbaasd, spert de mond wijd open, hij haat.
Ik wil dit: nu bevallen onze gedichten aan ons.

Epigram 4.24

Omnes quas habuit, Fabiniane, Lycoris amicas
            extulit. Uxori fiat amica meae.

Fabinianus, Lycoris heeft alle vriendinnen die zij heeft gehad,
ten grave gedragen. Moge zij een vriendin worden voor mijn echtgenote.

Epigram 10.43

Septima iam, Phileros, tibi conditur uxor in agro.
            Plus nulli, Phileros, quam tibi reddit ager.

De zevende echtgenote, Philerus, wordt reeds door jou opgeborgen op/in de akker.
Aan niemand meer dan aan jou, Philerus, geeft de akker terug.

Epigram 2.65

Cur tristiorem cernimus Saleianum?
‘An causa levis est?’ inquis ‘Extuli uxorem.’
O grande fati crimen ! O gravem casum !

Waarom zien wij een tamelijk droevige Saleianus ?
Is de oorzaak soms licht(zinnig)?” jij zegt, “Ik heb mijn echtgenote ten grave gedragen/begraven.”
O grote misdaad van het noodlot! O ernstig geval!

Illa, illa dives mortua est Secundilla,
Centena decies quae tibi dedit dotis ?
Nollem accidisset hoc tibi, Saleiane.

Is zij, zij, de rijke Secundilla gestorven, die een
miljoen aan bruidsschat aan jou gegeven heeft ?
Ik zou niet willen dat dit aan jou gebeurd was, Saleianus.

Epigram 3.26

Praedia solus habes et solus, Candide, nummos,
            aurea solus habes, murrina solus habes,
Massica solus habes et Opimi Caecuba solus,
            et cor solus habes, solus et ingenium.

Je hebt in je eentje een landgoed, en in je eentje, Candidus, heb je munten,
je hebt in je eentje een gouden servies, je hebt in je eentje een servies van agaath,
je hebt in je eentje Massische wijnen en in je eentje Caecubische wijnen van Opimus,
en je hebt in je eentje een hart, en je hebt in je eentje verstand.

Omnia solus habes – hoc me puta velle negare ! –
            Uxorem sed habes, Candide, cum populo.

Alles heb je in je eentje stel je voor dat ik dat wil ontkennen!
Maar je hebt je echtgenote, Candidus, samen met het volk.

anafoor en climax.

Epigram 3.8

‘Thaida Quintus amat.’ ‘Quam Thaida ?’ ‘Thaida luscam.’
            Unum oculum Thais non habet, ille duos.

‘Quintus houdt van Thaïs.’ ‘Welke Thaïs?’ ‘Thaïs met één oog.’
Thaïs heeft een oog niet, hij twee (niet).

Epigram 5.43

Thais habet nigros, niveos Laecania dentes.
            Quae ratio est?  Emptos haec habet, illa suos.

Thaïs heeft zwarte, Laecania witte tanden.
Wat is de reden? Zij heeft ze gekocht, zij heeft haar eigen.

- retorische vraag
-chiasme
zij 1 = Laecania, zij 2 is Thaïs

Epigram 1.47

Nuper erat medicus, nunc est vispillo Diaulus:
            quod vispillo facit, fecerat et medicus.

Tot voor kort was hij arts, nu is Diaulus begrafenisondernemer:
Wat hij als begrafenisondernemer doet, had hij ook als arts gedaan.

- chiasme

Epigram 9.68

Quid tibi nobiscum est, ludi scelerate magister,

invisum pueris virginibusque caput ?

Nondum cristati rupere silentia galli :

murmure iam saevo verberibusque tonas.

Wat heb jij te maken met ons, misdadige schoolleraar,

gehaat hoofd bij jongens en meisjes ?

Nog niet hebben de hanen met een kam de stiltes gebroken :

jij gaat al donderend tekeer met woest gebulder en zweepslagen.

5.         Tam grave percussis incudibus aera resultant,

causidicum medio cum faber aptat equo :

mitior in magno clamor furit ampfitheatro,

vincenti parmae cum sua turba favet.

Nadat de aambeelden hevig waren beslagen, weerklinken de bronzen (beelden) zo zwaar,

wanneer de smid de advocaat vastmaakt op het midden van het paard:

zachter raast het geschreeuw in het grote amfitheater,

wanneer zijn eigen menigte de overwinnaar met het kleine schild toejuicht.

Vicini somnum – non tuta nocte – rogamus :

10.       Nam vigilare leve est, pervigilare grave est.

Discipulos dimitte tuos. Vis, garrule, quantum

Accipis ut clames, accipere ut taceas ?

Wij, de buren, vragen slaap - niet de hele nacht :

want wakker zijn is licht, voortdurend wakker zijn is ernstig/zwaar.

Stuur jouw leerlingen weg. Kletsmajoor, wil jij zoveel

ontvangen als jij ontvangt opdat jij schreeuwt, opdat jij zwijgt ?

Epigram 10.8

Nubere Paula cupit nobis, ego ducere Paulam
            nolo: anus est. Vellem, si magis esset anus.

Paula wil met mij trouwen, trouwen met Paula
wil ik niet: ze is een oude vrouw. Ik zou willen, als ze meer een oude vrouw was.

-adversatief asyndeton, paradox

 

 

Romeinse kalender