Coniunctivus bijzin

Ongeveer 90% van alle coniunctivi komen voor in een bijzin. Hier geeft de coniunctivus een andere betekenis aan de bijzin, de bijzin wordt afhankelijker aan de hoofdzin.

Er zijn vijf mogelijkheden van de coniunctivus in de bijzin:

  • Bij een voegwoord
  • Bij een relativum
  • Bij werkwoorden van vrezen of verhinderen
  • Indirecte rede

Deze worden hieronder uitgebreider besproken.

 

 

De vierde (en vijfde) mogelijkheid voor een coniunctivus is de zogenaamde coniunctivus obliquus. Deze wordt gebruikt om een afhankelijk vraagzin of een indirecte rede aan te geven.

Bij een voegwoord

Er zijn zes ‘betekenissen’:

  1. causaal – oorzaak
  2. finaal – doel
  3. concessief – tegenstelling
  4. temporeel – tijd
  5. consecutief – gevolg
  6. definitief – definitie

Zo’n ‘betekenis’ wordt altijd door een voegwoord aangegeven.

 

Voegwoord

De voegwoorden ut, ut non, en cum hebben met een indicativus een andere betekenis als met een coniunctivus. De voegwoorden quin en ne komen alleen maar voor in de coniunctivus.

Overzicht

Hieronder nog een overzicht van de voegwoorden en hun betekenis in de indicativus en coniunctivus:

ut

ut                                + ind.  1 zoals
2 zodra
+ coni.1 (op)dat, om te
2 zodat

ne

ne                               + coni.  (op)dat niet, om niet te
(!) ne na een werkwoord van vrezen of verhinderen betekent simpelweg ‘dat’.

ut non

ut non                        + coni.  zodat niet

cum

cum                             + ind.  wanneer, toen
+ coni.  1 toen
2 omdat
3 hoewel

quin

quin                           + coni.  zodat niet

 

 

 

 

Causaal

Een causale bijzin begint met het voegwoord cum. Je vertaalt cum met ‘omdat’.

Finaal

Een finale bijzin begint met het voegwoord ut of ne. Je vertaalt het met ‘opdat (niet)’ of ‘om (niet) te’.

Concessief

Het voegwoord om een concessieve zin aan te geven is cum. Je vertaalt het met ‘hoewel’.

(!) Vaak wordt het woordje tamen ‘toch’ gebruikt om tegenstelling aan te geven.  

Cum fatigatus essem, tamen veni. Hoewel ik moe was, ben ik toch gekomen.

Temporeel

De zogenaamde cum grammaticum wordt gebruikt om een tijd aan te geven. Dit gebruik van cum komt alleen maar voor bij de coniunctivus imperfectum en plusquamperfectum, en vertaal je met ‘toen’.

Consecutief

Een consecutieve bijzin begint met het voegwoord ut, ut non of quin. Je vertaalt het met ‘zodat (niet)’.

(!) Een consecutieve bijzin wordt vaak aangekondigd met een ‘zo’-deel in de hoofdzin. Als het ‘zo’-deel al is geweest, hoef je dit niet te vertalen (je vertaalt dus met ‘dat’). Let hierbij op het ‘zo’-deel:
ita                    zo
tam                 zo
sic                    zo
adeo                zo(zeer)
tot                   zoveel
totiens             zo vaak
talis                 zo(danig)
tantus              zo groot
tantopere        zozeer

 

(!) Twee keer ‘toen’? De indicativus-‘toen’geeft een gelijktijdigheid aan (terwijl), terwijl de coniunctivus-‘toen’ beter met nadat vertaalt kan worden:

Veni, cum me vocabas. Ik ben gekomen, toen je me riep. 

Veni, cum me vocares. Ik ben gekomen, toen je me riep.

In zin 1 kwam ik dus terwijl je aan het roepen was, terwijl in zin 2 je riep en ik daarna kwam.

Bij een relativum

Na een betrekkelijk voornaamwoord (qui, quae, quod) zijn er twee mogelijkheden. De eerste is een indicativus. Dit wordt gebruikt om een feit weer te geven. De coniunctivus wordt gebruikt om een subjectieve bewering weer te geven. Die bewering kan verschillend van aard zijn (causaal, finaal, concessief, consecutief of definief).

Milites misit, qui Cleopatram custodirent. Hij zond soldaten om Cleopatra te bewaken. (finaal)

Sunt qui hoc dicant. – Er zijn (mensen) die dit zeggen. (definitief)

Bij werkwoorden van vrezen of verhinderen

De coniunctivus kan ook voorkomen bij werkwoorden van vrezen of hinderen. Deze worden ook wel de verba timendi (vrees) en verba impediendi (verhindering) genoemd. Hieronder een paar voorbeelden:

werkwoorden van vrezen (verba timendi) werkwoorden van verhinderen (verba impediendi)
impedio verhinderen timeo vrezen
prohibeo verhinderen metuo vrezen
obsto verhinderen vereor vrezen
deterreo afschrikken    
obsisto zich verzetten    
resisto zich verzetten    
recuso weigeren    
interdico verbieden    

In zo’n geval wordt het voegwoord ne gebruikt, dat altijd vertaald wordt met ‘dat’. Wanneer de hoofdzin ontkennend is wordt het voegwordt quin gebruikt.

 

(!) De verba impediendi kunnen ook nog met het voegwoord quominus aangevuld worden.

Coniunctivus obliquus

Er zijn een paar (3) mogelijkheiden voor de coniunctivus obliquus:

Afhankelijke vraagzin

Vergelijk de volgende zinnen:

Rogas me: ‘Quis est?’                                              Je vraagt me: ‘Wie is hij?’                      (6)

Rogas me quis sit.                                                  Je vraagt me wie hij is.                         (7)

Zin 6 is een directe rede. Je gebruikt de indicativus. Zin 7 is een afhankelijke vraagzin: een bijzin die door een vragend voornaamwoord (quis), vraagwoord of een woord met de betekenis ‘of’ ingeleidt. In zo’n geval gebruik je de coniunctivus.

Non intellego, quid dicas.                                  Ik begrijp niet wat je zegt.                    (8)

Incertum erat, cur dormires.                              Het was onduidelijk, waarom jij sliep. (9)

Rogavi eos num Romani essent.                        Ik vroeg hen of ze Romeinen waren. (10)

Dit wordt ook een coniunctivus interrogativus genoemd.

A.c.I, ablativus absolutus of een bijzin in de coniunctivus

Bijzinnen in de A.c.I, na een ablativus absolutus of in een bijzin die al in de coniunctivus staat worden altijd in de coniunctivus gezet:

Promisit se captivos, quos cepisset, Romanis traditurum esse.  (11)      Hij beloofde dat hij de gevangenen, die hij gevangen had genomen, aan de Romeinen zou overleveren.                                 

Indirecte rede

Ook in een bijwoordelijke bijzin met een subjectieve ‘betekenis’ komt een coniunctivus voor. Hier kan je dan vaak de woordjes ‘misschien’, ‘naar zijn mening’, ‘naar eigen zeggen’, ‘zou’, etc. aan toevoegen. Dit is echter niet noodzakelijk.

Lucius non adest, quod aeger est.                      Lucius is niet aanwezig, omdat hij ziek is.

Lucius non adest, quod aeger sit.                       Lucius is niet aanwezig, omdat hij ziek is.

Het verschil tussen zin 1 en 2 is dat in zin 1 het ‘ziek zijn’ als een feit wordt beschouwd, terwijl deze in zin 2 als een feit opgegeven door Lucius gezien wordt. De meningen zijn dus verdeeld, je kunt dit ook vertalen met ‘omdat hij ziek zou zijn’.

 

 

Romeinse kalender